Over tekenen

Tekenen, wat valt er nog voor zinnigs over te vertellen. Zeker als je opgegroeid bent met de theorieën van Paul Klee, of die uit de renaissance. Nog moeilijker, wat moet je vertellen over je eigen tekenen? Wat komt uit je eigen koker, wat is van anderen? Bovendien zijn die anderen vaak zo onvergelijkbaar groot en hebben ze eigenlijk alles al gezegd..

Tekenen is ook niet iets van alleen onze cultuur die met de renaissance ‘modern’ werd . In het prehistorische Lascaux deden ze er al ver voor onze jaartelling aan, net als de oude afrikanen in de holen van het Tasiligebergte aan de rand van de Sahara er al op los tekenden en schilderden en net zoals het bijna in elke ‘primitieve’ cultuur nog altijd gebeurt. Maar die prehistorische afbeeldingen stralen in hun natuurlijke puurheid zo’n magische kracht uit, dat ook de moderne, verstedelijkte kunstenaar er anno 1998 nog jaloers op moet zijn .
Het geldt niet alleen voor wat wij schilderingen noemen, maar zeker zo sterk voor de tekeningen.

De rotsschilderingen in de grotten van Altamira, de Perigord…Ze roepen vele vragen op. Wat was de functie van het afbeelden van paarden, bizons en rendieren? Stammen de schilderingen van hetzelfde tijdstip… waarom zijn in sommige grotten de afbeeldingen door elkaar en over elkaar heen aangebracht. Waren de makers sjamanen die voor ander werk vrijgesteld waren omdat zij met hun afbeeldingen van de dieren waarop ze joegen , de stam in staat stelden op de toekomstige prooi greep te krijgen en die zo gemakkelijker te vangen? Of waren het autisten, die een primitief stadium in de ontwikkeling van de mens tot de moderne homo sapiens afsloten, zoals een Amerikaans psycholoog – N.Humphrey, Volkskrant, 17.1.98-onlangs beweerde?

Maar dan zo’n hand in de grot van Pech-Merle.
Iemand legde zijn hand daar op de rotswand en omkaderde die met rode verf. Die hand waarvan de rode markering is achtergebleven intrigeert me en maakt me stil, zeker wanneer ik me realiseer wat die hand die uit de kleurstof steekt,betekent.
Met het minimaalste van het minimaalste heeft iemand een poging gedaan een deel van zichzelf in een afbeelding, die zich buiten hemzelf bevindt, weer te geven. Hiermee gaf hij er blijk van dat hij afstand kon doen van zichzelf: van het ik dat handelt en doet, zoals het tot zichzelf veroordeeld is.
De omtrek van de hand is een blijk van het vermogen tot zelfreflectie en biedt de ik tevens de kans op verschillende tijdstippen met zichzelf als object in contact te komen. Het is daarmee ook een eerste blijk van een besef dat de tijd in zijn voortschrijden het verleden -daarmee jezelf- niet onontkoombaar uitwist…dat je dus aan jezelf geschiedenis kunt geven door en in de fixatie van de afbeelding en dat er toekomst is .
Het gekke is bovendien dat ik het beeld van de hand in mezelf vasthoud, terwijl die hand afwezig is. Alleen de omkadering van de rode verf is er. De hand is uitgespaard angstwekkend aanwezig. En daarmee de mens van wie de hand is…

Nou ja zo gek is dit gegeven van (zelf)reductie nu ook weer niet, want de paarden, rendieren en oerossen zijn allerminst foto-realistisch weergegeven. In hun weergave wordt flink gestileerd. Veel van de dieren die afgebeeld zijn, is weggelaten…. Terwijl we ze toch herkennen. Een van de effecten is dat bij elk afgebeeld dier de details die het doen onderscheiden van zijn soort- of familiegenoten ontbreken . Het leidt tot de conclusie dat het kennelijk niet om weergave van de individuele persoonlijkheid van het voorgestelde gaat.. Niet de afbeelding van ons paard, die oeros die me gisteren in het nauw bracht maar de uitbeelding van het paard, de oeros in het algemeen is belangrijk..

Het accent op de uitbeelding van het afgebeelde, en minder op de afbeelding ervan komt misschien nog sterker van voren bij de weergave van de menselijke figuur. Vooral omdat die zo vaak gebeurt in lijntekeningen. Zelfs waar de dieren met overwegend kleurige vlakken worden neergezet en de lijnen zich beperken tot een oog, neus, staartje, zie je de hele jager geschematiseerd in niet meer dan enkele strepen terug..

Geheimzinnig daarnaast is de afbeelding in de Addaura-grot bij Palermo: Cultusdans,Laat- Magdalenien. De dansers dragen dier-(vogel-)maskers. Enigen liggen in trans op de grond interpreteert het bijschrift in een boekje van Herbert Kühn over de Phehistorische kunst in Europa. Een ander boek schrijft erover: Sommige figuren zijn uitgesproken mannelijk maar geen is er uitgesproken vrouwelijk. Zij voeren een rite uit met dans of acrobatiek. Sommige deelnemrs dragen wellicht maskers. De ‘dansers’ zijn in de rotswand gegraveerd. Een tors is duidelijk en tors en een bovenarm een bovenarm. De tekening van het lichaam beperkt zich tot het minimum van de omtrek. De ‘dansers’ zijn met een flink aantal en ze zijn boven en onder elkaar in de rots gekrast, het scheelt niet veel of ook hier lijken enkele voorstellingen net als bij vele jachttaferelen door elkaar heen te lopen.

Tekenen is dus van oorsprong niet alleen ergens lijnen op zetten, maar ook ergens lijnen in krassen. Zo krijgt die tekening een extra dimensie en daardoor extra zeggingskracht.
Overigens werden er wel degelijk ook vrouwen in de stenen gegraveerd en zelfs ‘gebeeldhouwd’. De ‘Venus van Laussel ‘ heeft een hoorn vast met haar rechter hand terwijl ze haar linker hand onder haar borsten op haar buik houdt. Dit in tegenstelling tot uitbeelding van de ”Venus van Willendorf’ , die zo plastisch vormgegeven is dat de armen opgaan in de mammen.

Waarom zo uitgeweid over die tienduizenden jaren oude kunst, die je tegenwoordig niet eens meer in de werkelijkheid kunt zien, maar waarbij je aangewezen bent op reproducties uit boeken?
Ook al zien ze er zo op het eerste oog heel anders uit dan de grotschilderingen en zijn m’n thema’s ontleend aan het (kranten)nieuws van alle dag in de jaren negentig van de twintigste eeuw na Cristus, mijn tekeningen zijn nog steeds gebaseerd op die oude oerprincipes van de pre-prehistorische grotten en holenkunst.
Bij het overdenken van wat het belangrijkst is bij het tekenen dat ik sinds een jaar of drie doe, viel ik erop terug. En in bovenstaand verhaaltje heb ik geprobeerd dat duidelijk te maken.

Jan Karremans